BIJ-1 Publicaties Plant Research International

Alterra, Plant Research International (PRI) en het Nederlands Centrum Bijenonderzoek (NCB): BIJ-1 Project

Regio Effecten

Wintersterfte is het resultaat van meerdere factoren. Varroabestrijding is hierin belangrijk omdat Varroa destructor de gezondheid / fitheid van individuele bijen en daarmee ook van bijenvolken negatief beïnvloedt. Met name de timing van de bestrijding is belangrijk; meteen na de zomerdracht, ½ juli beginnen verhoogt de kans op een succesvolle overwintering. De stuifmeeldracht bepaalt de fitheid van bijen, uitgedrukt in hemolymfe vitellogenine; een continue en diverse stuifmeeldracht resulteert in een hoger totaal hemolymfe eiwit. De fractie vitellogenine is hiermee positief gecorreleerd. De drachtmogelijkheden en de daarbij horende imkerpraktijk is regionaal bepaald. In 5 regio’s is per regio aan twee imkers gevraagd mee te werken aan dit onderzoek. Per imker zijn drie volken geselecteerd die gedurende de looptijd op de bijenstand blijven staan. De imkers hebben op ons verzoek een kastkaaart bijgehouden. De data zijn geanalyseerd op regio-effecten, imkereffecten, pathogeenbelasting en correlaties tussen varroa en totaal hemolymfe eiwit /vitellogenine en volksgrootte en totaal hemolymfe eiwit /vitellogenine.
Het onderzoek laat zien dat er regio-, imker-effecten en correlaties zijn.
Regio-effecten
(1) Er zijn significante verschillen tussen de regio’s voor de hoeveelheden broed in juni. Zeer waarschijnlijk te wijten aan de zwermverhindering die in deze periode plaatsvond en regionaal bepaald wordt.
(2) In juni 2010 hadden de volken in Zuid Limburg significant minder totaal eiwit (Bg eiwit.Bl hemolymfe-1), hetgeen erop kan duiden dat kwalitatief of kwantitatief minder stuifmeel beschikbaar is dan in de andere regio’s.
(3) In september hadden de volken in Zuid Limburg significant meer totaal eiwit dan de volken in regio’s Midden Holland hadden. De stuifmeelvoorziening in Zuid Limburg lijkt in september significant beter te zijn dan in de andere regio’s, met name in Midden Holland. imker-effecten
(4) Er zijn zowel in juni als in september significante verschillen tussen imkers binnen een regio voor wat betreft de grootte van de volken.
(5) Het percentage Nosemasporen (per 30 bijen) was bij alle imkers laag. verbanden
(6) Er bestaat een significant negatief verband tussen het aantal varroamijten per 80 bijen in september en de fractie vitellogenine.
(7) Er bestaat een significant positief verband tussen het totaal hemolymfe eiwit en de fractie hemolymfe vitellogenine en het aantal bijen in het volk in september. timing varroabestrijding
(8) Varroabehandeling, gestart in juni of juli zijn significant effectiever dan de behandelingen die in augustus gestart worden. Nosema spp en virussen
(9) Nosema apis is in geen van de volken in juni en september aangetoond.
(10) Nosema ceranae is prevalent in heel het land.
(11) In september is Nosema ceranae in een aantal volken onder de detectie grens gedaald.
(12) DWV is alleen in voorjaarsvolken gevonden. In de loop van de zomer kan DWV in volken onder de detectiegrens dalen. APBV is alleen in september aangetroffen.

> Download Regio Verschillen

 

De ontwikkeling van bijenvolken in interacties met de omgeving, stuifmeeldiversiteit, prevalentie en impact van Nosema spp., DWV en ABPV op bijenvolken

Om het effect van stuifmeeldiversiteit op de fitheid van bijenvolken te bepalen zijn in mei 2010 tien bijenvolken op de Grebbedijk met een te verwachten diverse stuifmeeldracht en tien volken op de Planken Wambuis met een te verwachte arme eenzijdige stuifmeeldracht geplaatst. De onderzoeksperiode liep van 20 mei tot 10 september. De fitheid van de volken is bepaald aan de hand van de parameters: vitellogenine, aantal bijen en aantal gesloten broedcellen. De diversiteit van de stuifmeeldracht is bepaald aan de hand van de te onderscheiden kleuren van de stuifmeelklompjes die om de 14 dagen gedurende 24 uur verzameld werden. Begin juni, eind juli en half september is het aantal bijen, aantal broedcellen en vitellogenine bepaald van de proefvolken. De studie laat zien dat bijenvolken in een omgeving met een diverse stuifmeeldracht het beter doen cq fitter zijn dan volken in een omgeving met een beperkt diverse stuifmeeldracht. Dit blijkt uit het resultaat dat
(1) de bijenvolken op verschillende bijenstanden een verschillende diversiteit van stuifmeel kunnen verzamelen;
(2) een grotere diversiteit van stuifmeel in het voorjaar resulteert in een hogere vitellogenine fractie in het hemolymfe;
(3) hoe meer groter het volk, hoe hoger de fractie vitellogenine is;
(4) een hogere hemolymfe vitellogenine fractie begin juni in meer broed in juli resulteert;
(5) er in september significante verschillen in hoeveelheid broed en aantal bijen zijn tussen volken op verschillende standen, ondanks dezelfde bedrijfsmethode en behandeling
(6) Nosema ceranae en DWV in praktische alle volken aanwezig is;
(7) Nosema ceranae en ABPV zich meer vermenigvuldigen in het najaar in volken met weinig broed, veel bijen en relatief hoger hemolymfe vitellogeninefractie.

> Download De ontwikkeling van bijenvolken in interactie met de omgeving

 

PATHOGEN TRANSMISSION IN INSECT POLLINATORS

The importance of pollination is undisputed. However, declines in wild and commercially reared pollinators have been reported. Pathogenicity has been indicated as one of the main causes for this decline in the number of pollinators. Bees perform the majority of pollination activity in natural and agro-ecosystems. Not much is known about pathogenicity in wild bees, whereas more information regarding commercially reared bees exists. The European Honeybee (Apis mellifera) is extensively used for pollinating monocultural crops worldwide. The use of A. mellifera in the agro-cultural industry has led to the global distribution of this pollinator. Similar to the range expansion of A. mellifera, other pollinator species such as bumble bees (Bombus spp.), have been globally distributed as well. Commercially reared bees come into contact with closely related native wild bees, and transmission of diseases can occur. Therefore, immunological information regarding honeybees can be of importance for wild bees as well.
Honeybee and bumble bee pathogens can be vertically and horizontally transmitted. Vertical pathogen transmission is the transmission of pathogens from parent to offspring. Horizontal pathogen transmission is the transmission of pathogens between individuals of the same generation. Honeybee pathogens have also been transmitted between bee species in a process called pathogen spill over; where bee pathogens have been transmitted from commercially reared bees to closely related wild bee species. Shared use of flowers and drifting is the most likely pathway for transmission.
Various bee pathogens are sensitive to transmission, especially prone to be transmitted between bee species, such as Nosema spp. Crithidia spp., . Therefore, Nosema spp. and Crithidia spp. are likely pathogen agents which would be transmitted from commercially reared bee species to wild bee species. The spread of Varroa destructor in synergy with viruses could also lead to the infection of wild bee species with viruses such as Deformed Wing Virus. Recent infection discoveries of Nosema ceranae and Deformed Wing Virus in wild bumble bee species (Genersch et al., 2006; Plischuk et al., 2009) further fuel the necessity to conduct more research, since these pathogens were thought to be host specific to honey bees.
Given the importance of commercially reared and wild pollinators for the pollination in our agro- and natural ecosystems, the Dutch and Belgian commercial rearing facilities are inspected to prevent pathogen spreading via the use of these bees for pollination in greenhouses and orchards

> PATHOGEN TRANSMISSION IN INSECT POLLINATORS

 

Rapport BIJ-1 WP2: Nederlands Bijenvolk Onderzoek (NBO) 2010

Het doel van dit onderzoek was, om op basis van bijenziekten en imkerpraktijk in 2010, mogelijke verklaringen te vinden voor het wel of niet succesvol overwinteren in de winter 2010-2011. Daartoe werden 100 imkers in 2010 gevraagd van drie volken in mei/juni 2010 en in september 2010 van dezelfde drie volken monsters te nemen en naar bijen@wur te sturen. Van 50 imkers ontvingen we de gevraagde 150 monsters in mei/juni 2010 en 150 monsters in september, samen met informatie over de varroabestrijding in 2010 en de overwintering 2010-2011. Van de 150 ingewinterde volken bleken er 21 (= 14%) in de winter dood gegaan te zijn. De monsters van mei/juni en september 2010 van de bijenvolken die in de winter 2010-2011 dood gingen, zijn onderzocht op bijenziekten. Als controlegroep zijn 22 monsters van succesvol overwinterde volken per provincie (ad random) geselecteerd en onderzocht.
Er is geen verband aangetoond tussen wintersterfte en het voorkomen van Nosema ceranae, Nosema apis, Deformed Wing Virus (DWV) en Acute Bee Paralysis Virus (ABPV) in de bijenvolken.
Er is wel een verband aangetoond tussen varroabehandelingen en wintersterfte. De timing van de varroabehandelingen correleert voor een deel het verschil tussen wel of niet succesvol overwinteren van een bijenvolk; volken die behandeld zijn in juli-augustus hebben meer kans op een betere overwintering en behandelingen in september en oktober kunnen te laat zijn om de bijenvolken succesvol te laten overwinteren.
Wintersterfte is bijenstand gerelateerd wat duidt op een imkerpraktijk / omgeving effect.

> Nederlands Bijenvolk Onderzoek (NBO) 2010

Bedankt voor uw bezoek aan beefriends.com
Beefriends, onderzoek voor imkers.